Ingedeeld onder: De roze bril
’s morgends vroeg in het zonnetje met een tas koffie rustig wakker worden en tussendoor eens bedenken dat je toch wel een fantastisch nieuw lief hebt opgeschaard.
Wandelingetjes maken en mensen ondertussen gelukkig maken door hen te helpen en ondertussen beseffen dat je een fantastisch lief hebt opgeschaard.
Mensen die fluitend rondlopen en heel hun levensverhaal tegen je doen, daarna weer fluitend buitenlopen en nog een bedenken dat je ook redenen genoeg hebt om fluitend rond te lopen want dat je een fantastisch lief hebt opgeschaard.
’s avonds in het zonnetje naar huis fietsen door het bos en je geweldig voelen omdat je weet dat er thuis een fantastisch lief op je wacht en je een hele dag betaald hebt gekregen om aan je fantastisch lief te denken.
Thuiskomen en dat fantastisch lief in de armen vallen om dan een hele avond niet meer los te laten.
En ’s nachts in je bed kruipen met de gedachte dat je blij mag zijn dat je zo’n fantastisch lief hebt opgeschaard.
Zo zagen mijn 2 afgelopen weken er uit en zal het komend weekend er ook uit zien.
Om dan maandag te vertrekken op die zending naar Estland waarvan de Vlaamse overheid verwacht dat ik Vlaanderen ga vertegenwoordigen en mijn fantastisch lief een week te missen.
Ik stapte op mijn fiets met het gevoel dat ik dronken was. Ze liep richting huis en reed langzaam weg.
Halverwege het grasveld draaide ze zich nog eens om en zwaaide. Ik zwaaide hardnekkig terug, tot ze uit het gezicht verdween. Ik begon te fietsen als een gek, van puur geluk. Ik had zin om vreselijk hard te roepen, maar ik deed het maar niet. In de Renaldreef kon dat niet. Ik lachte in mezelf, reed de dreef uit, zingend.
Ik was altijd onder de indruk van dit stuk uit het boek van Bart Moeyaert.
Ik vond het altijd een passage die zo levensecht beschreven werd – zoals heel het boek eigenlijk – dat ik me het bijna zelf zag doen.
Maar vandaag zat ik op mijn fiets en reed ik door het bos.
En het enige wat ik kon doen, was het uitschreeuwen en loeihard zingen.
En mij blij voelen…
Ik kan het niet.
En elke keer als ik denk dat ik het wél kan, loop ik met mijn gezicht tegen de muur.
Pijn dat dat doet. Want ik wil dat helemaal niet.
Ik wil het wél kunnen.
In plaats van steeds nét niet, eens een keer nét wel.
En geen klein beetje wel, maar heel hard wel. Zo hard, dat als het weer nét niet wordt, ik te pletter loop tegen die muur en weer helemaal moet recupereren. Want zelfs dàt heb ik er voor over.
Maar ik kan het niet. Nét niet.
Een mens is soms vriendelijk.
Wat inhoudt dat er in het boeregat zoals mijn thuisbasis, gegroet wordt op straat, men mensen helpt en vriendelijk lacht tegen voorbijgangers.
Stoelen afstaan aan bomma’s op de bus en aanbieden om te helpen in de winkel.
In mij geval: altijd in combinatie met bomma’s.
Of “mensen van gevorderde leeftijd”.
Mensen die duidelijk blij zijn als ze iemand tegenkomen en daar liefst hun hele levensverhaal en -toekomst tegen vertellen.
Alstublieft! Ik wil allèèn maar vriendelijk zijn en helpen. Géén psychologische peptalks, uit de doeken doen van mijn studies -die toch niet uit de doeken te doen zijn-, laat staan mijn ‘burgerlijke status’ mee te delen.
Blijkbaar zijn er ook mensen die het beter treffen.
Met ‘beter treffen’ als: meisjes die knipogen op de trein. Meisjes die (zichtbaar!) uitlokken op de bus, meisjes overal…
Oké toegegeven, ik zou minder blij zijn als er meisjes naar mìj zouden knipogen, maar mocht het nu iemand van het mannelijke geslacht zijn -die er liefst nog goed uitziet ook- Ik zou toch gecharmeerd zijn.
Zeker als dat méérdere keren gebeurd.
Volgens mij zou het de moeite zijn om zoiets bij te houden.
Ik zou het toch appreciëren…


